Leidt contractbeëindiging tot pensioenarmoede?

Veel middelloon regelingen die bij pensioen-verzekeraars zijn ondergebracht worden beëindigd en vervangen door beschikbare premieregelingen.

Het argument van werkgevers voor deze verandering is de grote stijging van de pensioenkosten, vooral veroorzaakt door de lage rente.

De overeenkomst met de verzekeraar wordt beëindigd, de nieuwe beschikbare premieregeling wordt bij een Premie-Pensioen-Instelling (PPI) ondergebracht en de opgebouwde pensioenen van (ex-) medewerkers en pensioentrekkenden (gepensioneerden, weduwnaars, weduwen en wezen) worden meestal bij de verzekeraar achtergelaten.

Het achterlaten van deze opgebouwde pensioenen en het daarvoor aanwezige vermogen heeft echter een aantal zeer nadelige gevolgen.

Middelen voor indexatie opgebouwde pensioenen
Het pensioenvermogen kan, afhankelijk van de hoogte van de premie en omvang van het vermogen, voor een deel zijn belegd in zakelijke waarden, stel zo’n 30%, en voor de rest in vastrentende waarden, vaak staatsleningen.

Het doel van een dergelijke mix is dat de belegging in zakelijke waarden ervoor zorgt dat het totale rendement toch meer is dan de 3% die op voorhand is ingecalculeerd.

Een rendement boven 3%, de overrente, moet er immers voor zorgen dat de opgebouwde pensioenen geïndexeerd kunnen worden. Bij een rendement op staatsleningen van minder dan 1% is het maken van een rendement van meer dan 3% bij een dergelijke beleggingsmix nog een hele kunst.

In de overeenkomst tussen werkgever en verzekeraar is bij contractbeëindiging in het algemeen bepaald dat de zakelijke waarden worden verkocht en vervangen door beleggingen in staatsleningen. Bij de huidige rendementen op staatsleningen van minder dan 1% is het dan duidelijk dat er geen sprake is van overrente en er geen middelen zijn om opgebouwde pensioenen te verhogen.

Bij veel verzekeraars is voorts in de overeenkomst opgenomen dat wanneer na contractsbeëindiging de overrente negatief is (rendement minder dan 3%), het systeem van overrentedeling, soms na drie jaar, wordt beëindigd. Daarmee is elk perspectief op overrente in de toekomst verdwenen en zullen opgebouwde pensioenen nooit meer worden geïndexeerd. Voor bijvoorbeeld een vijfenveertig jarige die tachtig wordt, betekent dit dat zijn pensioen 35 jaar lang door inflatie elk jaar minder waard wordt!

Euronext case
Een dergelijke bepaling in de overeenkomst tussen werkgever en verzekeraar is meestal opgenomen zonder medeweten van de werknemers. Bovendien worden de pensioen-toezegging veranderd zonder instemming van ex-werknemers en gepensioneerden. Recent heeft een rechter in een vergelijkbare zaak (Euronext versus gepensioneerden) gepensioneerden in het gelijk gesteld en bepaald dat door het laten vervallen van het perspectief op indexatie de werkgever toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de pensioenovereenkomsten. Omdat in deze zaak de pensioentoezegging in eerste instantie via een pensioenfonds liep, stellen verzekeraars zich op het standpunt dat deze zaak niet vergelijkbaar is!

Indexatiedepot
Een aantal werkgevers die een middelloonregeling heeft, houden ten behoeve van het indexeren van de opgebouwde pensioenen een indexatiedepot aan. Dit indexatiedepot wordt gevuld met de financiële middelen die voortvloeien uit de overrente of door aparte stortingen van de werkgever.

Als er na beëindiging van de overeenkomst nog middelen in dit depot aanwezig zijn, moet voor de inkoop van toeslagen de werkgever een nieuwe overeenkomst met de verzekeraar aangaan. De hoge tarieven die voor de werkgever reden zijn om de overeenkomst met de verzekeraar te beëindigen worden dan alsnog van kracht. Het gevolg is dat voor veel geld weinig verhoging kan worden ingekocht. Het is dan ook aan te bevelen geen geld meer in het depot te storten en het depot voor het einde van de overeenkomst leeg te maken. Dit kan door voor de beëindiging van de overeenkomst zo veel mogelijk toeslagen toe te kennen, waardoor de dure tarieven worden voorkomen.

Kan het ook anders?
Beleggen in staatsleningen geeft wel veel zekerheid, maar ook de zekerheid van onvoldoende pensioen. Verzekeraars zouden bereid moeten zijn of beter verplicht moeten worden om na contractbeëindiging actieven en inactieven de keus te geven tussen een vast en variabel pensioen, in combinatie met a) het ‘afkopen’ van de rentegarantie van 3% en b) het afgeven van een inspanningsverplichting om tot een rendement te komen dat past bij de intentie van de regeling, in het belang van de verzekerden. Variabel in die zin dat pensioen + indexatie afhankelijk zijn van het resultaat van de belegging die past bij hun risicobereidheid. Dat betekent een keuze voor zekerheid van een gelijkblijvend laag pensioen of voor minder zekerheid en een pensioen dat, afhankelijk van beleggingsresultaten daalt gelijk blijft of stijgt. Voor beschikbare premieregeling is hiervoor in 2017 de wet al gewijzigd, waarover de volgende keer meer.

Een keuze is beter dan een verplichting die leidt tot pensioenarmoede!

Ruud Junge
Stattler & Waldorff

Reacties zijn gesloten.